ECLI:NL:RVS:2022:589

Raad van State

Datum uitspraak
24 februari 2022
Publicatiedatum
24 februari 2022
Zaaknummer
202106303/3/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening machtiging tot voorlopig verblijf na erkenning adoptie

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 13 juli 2020 werd afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar en een afwijzing van het beroep door de rechtbank, stelde de vreemdeling hoger beroep in en verzocht hij om een voorlopige voorziening.

Eerder werd dit verzoek op 5 november 2021 afgewezen. Op 24 december 2021 diende de vreemdeling een nieuw verzoek in, ditmaal met het argument dat zijn Gambiaanse adoptie door zijn adoptiemoeder inmiddels was erkend in een beschikking van de burgerlijke rechter van 8 december 2021. Hij wenste hereniging met zijn adoptiemoeder in Nederland, mede vanwege haar medische situatie.

De voorzieningenrechter zag echter geen aanleiding om het verzoek alsnog toe te wijzen. De afwijzing werd gehandhaafd en de staatssecretaris werd niet verplicht tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan op 24 februari 2022 door de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf wordt afgewezen.

Uitspraak

202106303/3/V3.
Datum uitspraak: 24 februari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 september 2021 in zaak nr. 21/1427 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 13 juli 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 24 februari 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 september 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 5 november 2021 is het verzoek afgewezen.
Op 24 december 2021 heeft de vreemdeling opnieuw verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter opnieuw verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de staatssecretaris wordt opgedragen hem een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen. Dit maal, omdat zijn Gambiaanse adoptie door zijn adoptiemoeder inmiddels in de beschikking van de burgerlijke rechter van 8 december 2021 is erkend en gewenst is dat hij met zijn adoptiemoeder herenigd wordt in Nederland, vooral met het oog op haar medische situatie.
2.       In wat de vreemdeling ter toelichting op zijn verzoek aanvoert, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding nu wel een voorlopige voorziening te treffen.
3.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.
w.g. Bijloos
voorzieningenrechter
w.g. Schippers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2022
47-985