ECLI:NL:RVS:2022:584
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- D.A. Verburg
- M. Soffers
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen inreisverbod vreemdeling
De vreemdeling met de Algerijnse nationaliteit had een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, die door de staatssecretaris buiten behandeling werd gesteld vanwege vertrek met onbekende bestemming. Tegelijkertijd werd een inreisverbod van twee jaar tegen hem uitgevaardigd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het inreisverbod niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang bij een inhoudelijke beoordeling.
In hoger beroep stelde de vreemdeling dat het contact met zijn gemachtigde was hersteld en dat hij wel degelijk belang had bij een inhoudelijke beoordeling van het inreisverbod, bijvoorbeeld om familie en vrienden te kunnen bezoeken. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat een vreemdeling die met onbekende bestemming is vertrokken alleen belang heeft bij inhoudelijke beoordeling als hij contact onderhoudt met zijn gemachtigde voordat het onderzoek wordt gesloten.
De Afdeling stelde vast dat het contact op het moment van sluiting van het onderzoek was hersteld en dat het belang bij het inreisverbod een zelfstandig belang is, los van het belang bij de verblijfsvergunning. Daarom was de niet-ontvankelijkverklaring onterecht. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover het beroep tegen het inreisverbod betreft en de zaak werd terugverwezen voor inhoudelijke behandeling. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring vernietigd en de zaak terugverwezen voor inhoudelijke behandeling van het inreisverbod.