ECLI:NL:RVS:2022:543

Raad van State

Datum uitspraak
21 februari 2022
Publicatiedatum
22 februari 2022
Zaaknummer
202200977/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen voorgenomen overdracht vreemdeling na niet-in-behandeling-neming verblijfsvergunning

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 12 januari 2022 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. De vreemdeling stelde daartegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 8 februari 2022 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde maar de rechtsgevolgen in stand liet. Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om zijn voorgenomen overdracht op 23 februari 2022 te voorkomen.

De voorzieningenrechter overwoog dat de termijn voor het indienen van grieven nog niet was verstreken en besloot daarom bij wijze van ordemaatregel de voorlopige voorziening te treffen dat de overdracht niet doorgaat. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De uitspraak werd gedaan op 21 februari 2022 door voorzieningenrechter H.G. Sevenster, in aanwezigheid van griffier A.M. van Meurs-Heuvel. De voorlopige voorziening geldt totdat de voorzieningenrechter uitspraak doet over het resterende deel van het verzoek na het verstrijken van de termijn voor het indienen van grieven.

Uitkomst: De voorgenomen overdracht van de vreemdeling op 23 februari 2022 wordt uitgesteld en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202200977/2/V3.
Datum uitspraak: 21 februari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 8 februari 2022 in zaak nr. NL22.556 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 12 januari 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 8 februari 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft op 14 februari 2022 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank en de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zijn voorgenomen overdracht op 23 februari 2022 achterwege blijft. De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld tot en met uiterlijk 1 maart 2022 grieven in te dienen. Alleen al omdat de termijn voor het indienen van grieven in dit geval nog niet is verstreken, treft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel een voorlopige voorziening. Nadat de termijn is verstreken, zal de voorzieningenrechter uitspraak doen op het resterende deel van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
2.       De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de voorgenomen overdracht van 23 februari 2022 achterwege blijft;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2022
47-959