ECLI:NL:RVS:2022:528

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2022
Publicatiedatum
18 februari 2022
Zaaknummer
202101991/3/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling tijdens hoger beroep

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 23 maart 2018 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. Tevens werd hem een terugkeerbesluit opgelegd om Nederland binnen vier weken te verlaten na afloop van het uitstel van vertrek. Dit terugkeerbesluit werd later ingetrokken op 18 april 2019.

De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit van 23 maart 2018, waarbij de staatssecretaris werd opgedragen een verblijfsvergunning te verstrekken. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in. De vreemdeling verzocht vervolgens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat hij niet zou worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt en hij zijn opleiding kon voortzetten.

De voorzieningenrechter overwoog dat de vreemdeling door de vernietiging van het besluit van de rechtbank rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Daarom was het verzoek om een voorlopige voorziening niet nodig en werd het afgewezen. De staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting wordt afgewezen omdat de vreemdeling reeds rechtmatig verblijf heeft.

Uitspraak

202101991/3/V3.
Datum uitspraak: 18 februari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [de vreemdeling] om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­-Hertogenbosch, van 15 maart 2021 in zaak nr. NL18.7421 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 23 maart 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, geweigerd hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en hem opgedragen om Nederland binnen vier weken na afloop van het voorlopig verleende uitstel van vertrek te verlaten (dit laatste hierna: het terugkeerbesluit).
Bij besluit van 18 april 2019 heeft de staatssecretaris het terugkeerbesluit ingetrokken.
Bij verwijzingsuitspraak van 12 juni 2019 heeft de rechtbank het Hof van Justitie verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de in die uitspraak gestelde vragen, de behandeling van het door de vreemdeling tegen het besluit van 23 maart 2018 ingestelde beroep geschorst en elke verdere beslissing aangehouden.
Bij arrest van 14 januari 2021, TQ, ECLI:EU:C:2021:9, heeft het Hof de in de verwijzingsuitspraak gestelde vragen beantwoord.
Bij uitspraak van 15 maart 2021 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 maart 2018 vernietigd, de staatssecretaris opgedragen de vreemdeling binnen twee weken in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning met ingang van 30 juni 2017 en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 23 maart 2018.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en te bepalen dat hij gedurende de behandeling van het hoger beroep rechtmatig verblijf heeft, zodat hij zijn mbo-opleiding in Nederland kan voortzetten.
2.       Bij uitspraak van 30 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:3041, heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling op verzoek van de staatssecretaris bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de staatssecretaris geen uitvoering aan de uitspraak van de rechtbank hoeft te geven voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
3.       De vernietiging van het besluit van 23 maart 2018 door de rechtbank betekent dat de vreemdeling weer in afwachting is van een beslissing op zijn asielaanvraag, waardoor hij rechtmatig verblijf heeft ingevolge artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Het rechtmatig verblijf dat hij beoogt, heeft hij dus al.
4.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.
w.g. Wissels
voorzieningenrechter
w.g. Bechinka
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2022
371-907