ECLI:NL:RVS:2022:412

Raad van State

Datum uitspraak
9 februari 2022
Publicatiedatum
9 februari 2022
Zaaknummer
202105665/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag toevoeging rechtsbijstand bij verzoek om schuldkwijtschelding

In deze zaak heeft de Raad van State op 9 februari 2022 uitspraak gedaan in hoger beroep over de afwijzing van een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand aan [appellant]. De aanvraag werd afgewezen door de raad voor rechtsbijstand op 12 februari 2020, omdat volgens de raad [appellant] geen advocaat nodig had. Dit besluit werd in bezwaar gehandhaafd en de rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van [appellant] ongegrond in haar uitspraak van 20 juli 2021. De zaak betreft een verzoek van [appellant] aan het college van burgemeester en wethouders van Ede om een schuld kwijt te schelden, wat door het college werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de raad terecht had geoordeeld dat de aanvraag om rechtsbijstand niet kon worden ingewilligd, omdat het verzoek om kwijtschelding van een schuld niet onder de criteria voor het verlenen van een toevoeging valt, zoals vastgelegd in de Wet op de rechtsbijstand en het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde deze conclusie en oordeelde dat [appellant] zijn belang in de hoger beroepsprocedure redelijkerwijs zelf kon behartigen, eventueel met bijstand van een andere persoon of instelling. De Raad van State oordeelde dat de raad de aanvraag om een toevoeging terecht had afgewezen en dat de rechtbank tot dezelfde conclusie was gekomen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de raad hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

202105665/1/A2.
Datum uitspraak: 9 februari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 juli 2021 in zaak nr. 20/4097 in het geding tussen:
[appellant]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).
Procesverloop
Bij besluit van 12 februari 2020 heeft de raad een aanvraag om een toevoeging voor het verlenen van rechtsbijstand aan [appellant] afgewezen.
Bij besluit van 16 juni 2020 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 juli 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2022, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S.G. Blasweiler, advocaat te Ede, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Doets, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] heeft het college van burgemeester en wethouders van Ede (hierna: het college) verzocht om een schuld kwijt te schelden. Het college heeft dit verzoek afgewezen en dit besluit in bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft het door [appellant] daartegen ingestelde beroep bij  uitspraak van 18 december 2019 ongegrond verklaard. Voor het verlenen van rechtsbijstand aan [appellant] in de hoger beroepsprocedure bij de Centrale Raad van Beroep tegen die uitspraak heeft Blasweiler een toevoeging aangevraagd.
2.       De raad heeft de aanvraag om een toevoeging afgewezen, omdat [appellant] volgens de raad geen advocaat nodig heeft. De raad heeft daarbij verwezen naar artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) en artikel 7 van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (hierna: het Brt) over het niet verlenen van een toevoeging voor rechtsbijstand bij het kwijtschelden van een schuld.
Aangevallen uitspraak
3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de aanvraag ziet op een toevoeging voor rechtsbijstand bij het kwijtschelden van een schuld en daarom niet kan worden ingewilligd. De enkele stelling van [appellant] dat er een gerede kans bestaat dat de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep van [appellant] honoreert, maakt het voorgaande niet anders, aldus de rechtbank.
Wettelijk kader
4.       Artikel 12 van de Wrb luidt:
"2. Rechtsbijstand wordt niet verleend indien:
[…]
g. het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de overeenkomstig het tweede lid in acht te nemen criteria."
Artikel 7 van het Brt luidt:
"Voor rechtsbijstand terzake van het treffen van een afbetalingsregeling, het aanvragen van het eigen faillissement of het kwijtschelden van een schuld wordt geen toevoeging verleend."
Hoger beroep
5.       [appellant] betoogt dat sprake is van een complexe juridische zaak die niet zonder bijstand van een advocaat gevoerd kan worden. Hij stelt zich op het standpunt dat de rechtbank en de raad niet hebben onderkend dat het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, waarvoor de toevoeging is aangevraagd, niet gaat om een verzoek om kwijtschelding van schulden, maar om de toepassing van de beleidsregels die het college bij kwijtschelding van schulden hanteert. Volgens [appellant] kunnen die beleidsregels de rechtelijke toets niet doorstaan. Hij wijst daarbij op een aan Blasweiler gezonden e-mail van de gemeente Ede waarin wordt aangegeven dat uit een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat het beleid dat de gemeente Ede hanteert bij kwijtschelding van schulden de toets van een redelijke beleidsbepaling niet kan doorstaan.
5.1.    De toevoeging is aangevraagd voor het verlenen van rechtsbijstand in een hoger beroepsprocedure tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van een verzoek om een schuld kwijt te schelden. Gelet op artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb en artikel 7 van het Brt, wordt daarvoor geen toevoeging verleend. In het betoog van [appellant] over het willen aanvechten van de beleidsregels ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat hij zijn belang in de hoger beroepsprocedure over het kwijtschelden van zijn schuld niet redelijkerwijze zelf kon behartigen, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie, onderscheidenlijk waarvan, de werkzaamheden niet binnen de werkingssfeer van de Wrb vallen. De omstandigheid dat de gemeente Ede hangende het hoger beroep zou hebben erkend dat het door haar gehanteerde beleid de rechterlijke toets niet kan doorstaan en het hoger beroep voor [appellant] tot een positieve uitkomst heeft geleid, maakt niet dat de raad de toevoeging achteraf bezien alsnog had moeten verlenen en daarbij van voornoemde bepalingen had moeten afwijken. De raad heeft de aanvraag om een toevoeging dan ook terecht afgewezen. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
Het betoog faalt.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Koelewijn, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2022
856