ECLI:NL:RVS:2022:3950

Raad van State

Datum uitspraak
23 december 2022
Publicatiedatum
23 december 2022
Zaaknummer
202206910/2/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit gemeenschapsonderdaan

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 23 september 2020 vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft en hem opgedragen Nederland binnen 28 dagen te verlaten. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 21 december 2020 ongegrond werd verklaard.

De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 4 november 2022 het bezwaar gegrond verklaard en de vertrektermijn verlengd van 28 naar 30 dagen. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet uitgezet zou worden zolang het hoger beroep loopt.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen, waarbij is meegewogen dat de belangen van zowel de staatssecretaris als de vreemdeling zijn afgewogen. Er is geen voorlopige bescherming toegekend en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit wordt afgewezen.

Uitspraak

202206910/2/V2.
Datum uitspraak: 23 december 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 4 november 2022 in zaak nr. 21/320 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 23 september 2020 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft. Ook heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen Nederland binnen 28 dagen te verlaten.
Bij besluit van 21 december 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 november 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 december 2020 vernietigd voor zover daarin is bepaald dat de vertrektermijn 28 dagen bedraagt en bepaald dat de vertrektermijn dertig dagen bedraagt en dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist.
2.       Gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening.
3.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2022
853