ECLI:NL:RVS:2022:3940
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning vreemdeling
De vreemdeling had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die op 28 april 2021 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd ingetrokken. Tevens werd een aanvraag tot wijziging van de beperking afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 14 oktober 2021 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank, die op 20 oktober 2022 het beroep ongegrond verklaarde.
Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen en opvang en verstrekkingen te verkrijgen zolang het hoger beroep loopt. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek beoordeeld en afgewogen tegen de belangen van de staatssecretaris.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen aanleiding was om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek werd daarom afgewezen en de staatssecretaris werd niet verplicht proceskosten te vergoeden. Hiermee blijft de intrekking van de verblijfsvergunning van kracht gedurende het hoger beroep.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.