ECLI:NL:RVS:2022:3847

Raad van State

Datum uitspraak
21 december 2022
Publicatiedatum
21 december 2022
Zaaknummer
202203731/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens tijdig besluit verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling had beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank Den Haag had het beroep gegrond verklaard en de staatssecretaris opgedragen binnen zestien weken een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.

De staatssecretaris nam binnen deze termijn een besluit en verleende de verblijfsvergunning. Hierdoor was het hoger beroep van de staatssecretaris tegen de uitspraak van de rechtbank niet ontvankelijk, omdat er geen belang meer was bij de beoordeling.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en bepaalde dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. De vreemdeling had geen bezwaar gemaakt tegen het besluit, zodat ook geen beroep van rechtswege ontstond.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is niet-ontvankelijk verklaard omdat het besluit binnen de gestelde termijn is genomen.

Uitspraak

202203731/1/V1.
Datum uitspraak: 21 december 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 juni 2022 in zaak nr. NL22.7313 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 7 juni 2022 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, de staatssecretaris opgedragen om binnen zestien weken een besluit op de aanvraag te nemen en bepaald dat de staatssecretaris aan de vreemdeling een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee hij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 5 juli 2022 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling ingewilligd.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris heeft binnen de door de rechtbank geboden termijn een besluit op de aanvraag van de vreemdeling genomen. Hij is de vreemdeling dus geen rechterlijke dwangsom verschuldigd. Dat betekent dat hij geen belang heeft bij de beoordeling van dit hoger beroep. Ook het zaaksoverstijgend belang van eenheid in de rechtspraak van de rechtbank Den Haag is met de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3353, vervallen.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
3.       Verder is de staatssecretaris in het besluit van 5 juli 2022 geheel aan de aanvraag van de vreemdeling tegemoet gekomen. De vreemdeling heeft desgevraagd niet aangevoerd dat hij zich niet met dat besluit kan verenigen, zodat geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, en artikel 6:24 van Pro de Awb is ontstaan waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schuurman
griffier
282-999