ECLI:NL:RVS:2022:339
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling door Raad van State
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 28 november 2021 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 30 december 2021 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit hoger beroep richtte zich onder meer op een rechtsvraag over de implementatie van de grensprocedure, welke reeds eerder door de Afdeling was beantwoord in uitspraken van 3 juni 2016.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe of relevante vragen bevatte die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris werd niet verplicht proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.