ECLI:NL:RVS:2022:3222
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aangepast leerlingenvervoer voor dochter naar niet-dichtstbijzijnde school
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om aangepast leerlingenvervoer voor zijn dochter naar het Edith Stein College, dat op 4,37 km afstand ligt. Het college wees dit verzoek af omdat deze school niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school is, zoals voorgeschreven in de Verordening leerlingenvervoer gemeente Den Haag 2014. Er zijn drie scholen dichterbij, op afstanden tussen 2,92 en 3,45 km, waar de dochter ook had kunnen worden aangemeld.
Appellant stelde dat vanwege de medische situatie van zijn dochter en het feit dat haar broer en zus ook naar het Edith Stein College gaan, aangepast vervoer noodzakelijk is. Ook betoogde hij dat het verschil in afstand slechts ongeveer een kilometer is en dat de vervoerskosten niet duidelijk waren vergeleken. De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden niet bijzonder genoeg zijn om af te wijken van de regelgeving en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat eerst beoordeeld had moeten worden of zijn dochter aangepast vervoer nodig heeft, voordat gekeken werd naar de afstand tot de school. De Raad van State oordeelde echter dat het college terecht het verzoek heeft afgewezen op grond van artikel 3 van Pro de Verordening, omdat het Edith Stein College niet de dichtstbijzijnde school is en de vervoerskosten niet lager zijn. De hardheidsclausule was niet van toepassing.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor aangepast leerlingenvervoer wordt bevestigd.