ECLI:NL:RVS:2022:290

Raad van State

Datum uitspraak
31 januari 2022
Publicatiedatum
31 januari 2022
Zaaknummer
202107076/1/V2.
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering vrees voor vader

De vreemdeling, afkomstig uit Irak, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 16 juni 2021 werd afgewezen. De vreemdeling stelde dat zij zonder toestemming van haar vader was getrouwd met een Turkmeense man en vreesde problemen bij terugkeer naar Irak vanwege deze situatie.

De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de staatssecretaris zich niet onterecht op het standpunt had gesteld dat de vrees voor haar vader ongeloofwaardig was. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris voldoende gemotiveerd had dat de vrees voor de vader ongeloofwaardig was. De overige tegenwerpingen van de staatssecretaris betroffen andere aspecten dan de vrees voor de vader en waren onvoldoende om het besluit te dragen. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het besluit van 16 juni 2021 wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vernietigd. De staatssecretaris dient een nieuw besluit te nemen en wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.

Uitspraak

202107076/1/V2.
Datum uitspraak: 31 januari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 5 november 2021 in zaak nr. NL21.9742 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 16 juni 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 5 november 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.A.E. Engelen, advocaat te Voerendaal, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De vreemdeling komt uit Irak en heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij in Irak zonder toestemming van haar vader is getrouwd met [echtgenoot], een Turkmeense man. De vreemdeling vreest bij terugkeer naar Irak voor problemen met haar vader omdat zij zonder zijn toestemming is getrouwd. Zij heeft verklaard dat haar vader zijn toestemming voor het huwelijk heeft geweigerd omdat [echtgenoot] en zijn moeder Turkmenen zijn. De staatssecretaris heeft het huwelijk in het voornemen weliswaar ongeloofwaardig geacht, maar in het besluit alsnog geloofwaardig geacht omdat de vreemdeling bij de zienswijze een originele huwelijksakte had overgelegd. De staatssecretaris acht echter nog wel ongeloofwaardig dat de vreemdeling voor dat huwelijk geen toestemming van haar vader had en daardoor bij terugkeer van hem te vrezen heeft, omdat haar vader zelf getrouwd was met een Turkmeense vrouw (de moeder van de vreemdeling). In beroep is de rechtbank de vreemdeling gevolgd in haar betoog dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd dat haar vader niet met het huwelijk zou hebben ingestemd. De rechtbank acht echter de overige tegenwerpingen van de staatsecretaris voldoende draagkrachtig om het besluit te kunnen dragen en om die reden heeft de staatssecretaris naar het oordeel van de rechtbank zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door de vreemdeling gestelde vrees voor haar vader bij terugkeer naar Irak ongeloofwaardig is. Deze uitspraak gaat over de vraag of de rechtbank terecht tot dat oordeel is gekomen.
2.       De vreemdeling klaagt in haar grieven dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door de vreemdeling gestelde vrees voor haar vader bij terugkeer naar Irak ongeloofwaardig is. De tegenwerpingen van de staatssecretaris gaan daar volgens de vreemdeling immers niet over en de enige tegenwerping van de staatssecretaris die daar wel over gaat heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd geacht (zie onder 1.). De rechtbank had daarom tot het oordeel moeten komen dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, aldus de vreemdeling.
2.1.    Anders dan de rechtbank heeft overwogen, zijn de overige tegenwerpingen van de staatssecretaris onvoldoende draagkrachtig om het besluit te kunnen dragen. De vreemdeling betoogt immers terecht dat die tegenwerpingen niet gaan over haar gestelde vrees voor problemen met haar vader omdat hij geen toestemming voor haar huwelijk met [echtgenoot] heeft gegeven. Die tegenwerpingen gaan over haar burgerlijke staat, het eerste contact tussen haar en [echtgenoot], de wijze waarop zij Irak heeft verlaten en het verblijf in en vertrek uit Turkije. Die tegenwerpingen liggen, zo volgt uit het besluit en het daaraan ten grondslag liggende voornemen, ten grondslag aan het standpunt van de staatssecretaris dat het huwelijk met [echtgenoot] ongeloofwaardig is, maar dat element heeft de staatssecretaris in het besluit juist geloofwaardig geacht (zie onder 1.). Het enige ongeloofwaardige onderdeel in het besluit dat dan nog overblijft is de vrees van de vreemdeling voor haar vader bij terugkeer naar Irak omdat zij zonder zijn toestemming is getrouwd. De enige daaraan ten grondslag liggende tegenwerping van de staatssecretaris heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd geacht (zie onder 1.). De vreemdeling betoogt daarom terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door de vreemdeling gestelde vrees voor haar vader bij terugkeer naar Irak ongeloofwaardig is. De grieven slagen.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De vreemdeling betoogt, gelet op wat onder 2.1 is overwogen, in beroep terecht dat het besluit van de staatssecretaris onvoldoende is gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond en het besluit van 16 juni 2021 wordt wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb vernietigd. Dit betekent dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 5 november 2021 in zaak nr. NL21.9742;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 16 juni 2021, V-[…];
V.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.277,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Renting, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Renting
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2022
844