ECLI:NL:RVS:2022:290
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- B. Meijer
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering vrees voor vader
De vreemdeling, afkomstig uit Irak, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 16 juni 2021 werd afgewezen. De vreemdeling stelde dat zij zonder toestemming van haar vader was getrouwd met een Turkmeense man en vreesde problemen bij terugkeer naar Irak vanwege deze situatie.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de staatssecretaris zich niet onterecht op het standpunt had gesteld dat de vrees voor haar vader ongeloofwaardig was. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris voldoende gemotiveerd had dat de vrees voor de vader ongeloofwaardig was. De overige tegenwerpingen van de staatssecretaris betroffen andere aspecten dan de vrees voor de vader en waren onvoldoende om het besluit te dragen. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het besluit van 16 juni 2021 wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vernietigd. De staatssecretaris dient een nieuw besluit te nemen en wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.