ECLI:NL:RVS:2022:2879

Raad van State

Datum uitspraak
7 oktober 2022
Publicatiedatum
7 oktober 2022
Zaaknummer
202102596/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over geen dwangsom bij niet tijdig besluit asielaanvraag

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had bij besluit van 22 februari 2021 vastgesteld dat hij geen dwangsom verschuldigd was wegens het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 14 april 2021 ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevatte die beantwoord moesten worden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De Raad verwees naar eerdere uitspraken over soortgelijke kwesties en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitspraak

202102596/1/V1.
Datum uitspraak: 7 oktober 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 april 2021 in zaak nr. NL21.3638 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 22 februari 2021 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat hij geen dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 14 april 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.L.J. Reijnen, advocaat te Geleen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    Het hoger beroep gaat namelijk over rechtsvragen die eerder door de Afdeling zijn beantwoord (uitspraak van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2949, over het opschorten van de dwangsomtermijn door overmacht, onder 11 t/m 11.2, en uitspraak van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3020, onder 3.4, over het door de staatssecretaris met zes maanden verlengen van de termijn om een besluit te nemen voor alle asielaanvragen waarbij die termijn op 20 mei 2020 nog niet was verstreken (WBV 2020/12, Stcrt. 2020, nr. 26964)). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Verbeek
griffier
574-966