ECLI:NL:RVS:2022:2835
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging afwijzing verblijfsvergunning op humanitaire gronden
De vreemdeling met de Iraakse nationaliteit heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel humanitair niet tijdelijk. De staatssecretaris heeft deze aanvraag afgewezen omdat uitzetting niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep ontvankelijk was en dat het motiveringsgebrek eenvoudig te herstellen viel. De staatssecretaris mocht niet ambtshalve beoordelen of de vreemdeling in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning op humanitaire gronden, omdat eerdere aanvragen reeds in rechte vaststonden.
Het nieuwe besluit van de staatssecretaris van 27 augustus 2021 werd eveneens aangevochten, maar de Afdeling oordeelde dat de belangenafweging zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd was. De staatssecretaris had alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder de periode van niet-rechtmatig verblijf, financiële situatie, steunbrieven en sociale banden. De vreemdeling mocht niet vertrouwen op verdere opbouw van zijn privéleven in Nederland na het verlopen van zijn asielvergunning.
De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten. Hiermee blijft de afwijzing van de verblijfsvergunning in stand, met de verplichting tot een zorgvuldige motivering in het besluit.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is ongegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling tegen het nieuwe besluit is eveneens afgewezen.