ECLI:NL:RVS:2022:2806
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan en afwijzing voorlopige voorziening
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 mei 2021 de aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 24 september 2021 ongegrond werd verklaard en waarbij tevens een inreisverbod werd opgelegd. Dit inreisverbod werd op 28 juli 2022 ingetrokken, maar de vreemdeling werd opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.
De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 15 augustus 2022 het beroep ongegrond verklaarde. Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevatte die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.