ECLI:NL:RVS:2022:2782
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens valsheid documenten
Bij besluit van 31 maart 2020 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af vanwege vermoedens van valsheid van documenten. Na een bezwaarprocedure bleef het besluit gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand. Tegen deze uitspraak werd hoger beroep ingesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming. De rechtbank had terecht getoetst of de staatssecretaris zijn vergewisplicht had nageleefd en aannemelijk had gemaakt dat de overgelegde bewonerspas en islamitische huwelijksakte vals waren, mede op basis van het onderzoek van Bureau Documenten.
De vreemdeling bracht geen concrete aanwijzingen naar voren die twijfel konden zaaien over de vastgestelde valsheid van de documenten. De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt bevestigd.