ECLI:NL:RVS:2022:2729
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dwangsom wegens niet tijdig bekendmaken van omgevingsvergunning van rechtswege
Op 22 maart 2019 vroeg appellant een omgevingsvergunning aan voor het plaatsen van een erfafscheiding op een perceel in Rosmalen. Het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch besloot niet tijdig, waardoor de vergunning op 28 juni 2019 van rechtswege werd verleend. Appellant stelde het college in gebreke en vorderde een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen en/of het niet tijdig bekendmaken van de vergunning.
De rechtbank oordeelde dat geen dwangsom verschuldigd was omdat de regeling voor dwangsommen niet van toepassing is op besluiten die van rechtswege worden verleend. Appellant stelde hoger beroep in en voerde primair aan dat op grond van artikel 4:17 Awb Pro een dwangsom verschuldigd was wegens het niet tijdig beslissen. Subsidiair stelde hij dat het college een dwangsom verschuldigd was wegens het niet tijdig bekendmaken van de vergunning van rechtswege.
De Afdeling bevestigde dat de vergunning van rechtswege was verleend en dat artikel 4:17 Awb Pro niet van toepassing is in dat geval. Wel oordeelde zij dat de e-mail van appellant van 4 september 2019 een ingebrekestelling vormde voor het niet tijdig bekendmaken van de vergunning. Omdat het college pas op 15 oktober 2019 bekendmaakte, verbeurde het een dwangsom over 27 dagen. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank, stelde de dwangsom vast op €777,00 en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Uitkomst: Het college is een dwangsom van €777,00 verschuldigd wegens het niet tijdig bekendmaken van de vergunning van rechtswege.