ECLI:NL:RVS:2022:2718
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning asiel wegens schending hoor en wederhoor
De vreemdeling uit Iran had een tijdelijke asielvergunning die in 2019 met terugwerkende kracht werd ingetrokken omdat hij sinds oktober 2018 niet meer in Nederland stond ingeschreven. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en het ontbreken van bijzondere omstandigheden (Bahaddar-criteria).
De vreemdeling stelde dat de rechtbank ten onrechte geen inhoudelijke beoordeling gaf en dat hem geen gelegenheid was geboden zich uit te laten over de mogelijkheid van terugkeer naar Irak, waar hij eerder legaal verbleef. De staatssecretaris bracht dit argument pas ter zitting naar voren.
De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling hierdoor in zijn verdediging is geschaad en dat de rechtbank hem schriftelijk had moeten laten reageren. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €759,00. De Raad benadrukte het belang van het motiveringsbeginsel en hoor en wederhoor in bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.