ECLI:NL:RVS:2022:2679
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Subsidieafwijzing voor kosten vergunningen windmolen onterecht
Appellante diende een subsidieaanvraag in voor de aankoop en opbouw van een windmolen, inclusief kosten voor vergunningaanvragen en advieskosten. Het college van gedeputeerde staten van Utrecht wees de aanvraag af omdat de kosten voor vergunningaanvragen en gerelateerde activiteiten niet subsidiabel zouden zijn en bracht deze in mindering op het subsidiabele bedrag.
De rechtbank bevestigde deze afwijzing, stellende dat de genoemde kosten niet rechtstreeks aan de fysieke investering konden worden toegerekend en als voorbereidingskosten niet subsidiabel waren volgens de Verordening subsidies POP3 2014-2020.
In hoger beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het college en de rechtbank ten onrechte hebben aangenomen dat de kosten niet subsidiabel zijn. De Afdeling stelt dat vergunningkosten integraal onderdeel zijn van de investeringskosten van de windmolen, omdat zonder vergunning geen bouw mogelijk is. Het Openstellingsbesluit vermeldt niet expliciet dat deze kosten zijn uitgesloten, en het is evident dat dergelijke kosten noodzakelijk zijn.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de eerdere uitspraak en het besluit op bezwaar, en draagt het college op een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de subsidie wordt vernietigd.