ECLI:NL:RVS:2022:2527
Raad van State
- Tussenuitspraak bestuurlijke lus
- N. Verheij
- H.J.M. Baldinger
- J.H. van Breda
- Rechtspraak.nl
Intrekking Nederlanderschap wegens aansluiting bij gewapende organisatie en bestuurlijke lus voor nader onderzoek
Appellant, geboren in 1994 te Assen en Nederlander sinds 1998 via zijn ouders, werd in december 2019 het Nederlanderschap ontnomen en ongewenst verklaard wegens aansluiting bij ISIS en bedreiging van de nationale veiligheid. De staatssecretaris baseerde dit op een individueel ambtsbericht van de AIVD uit november 2019.
Na een eerdere afwijzing van het beroep door de rechtbank Den Haag, stelde appellant hoger beroep in. Tijdens de procedure kwam een brief van het College van procureurs-generaal aan het licht waarin werd vermeld dat appellant vermoedelijk is overleden, maar zonder onomstotelijk bewijs. De gemachtigde betoogde dat de staatssecretaris dit had moeten onderzoeken alvorens het Nederlanderschap in te trekken.
De Raad van State oordeelt dat de staatssecretaris inderdaad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het actuele leven van appellant, wat een schending van de zorgvuldigheidsplicht inhoudt. Ook werd geoordeeld dat de gemachtigde wel bevoegd was om toestemming te geven voor inzage in vertrouwelijke stukken, mede op grond van de Advocatenwet en het familiecontact.
De Afdeling bestuursrechtspraak draagt de staatssecretaris op binnen acht weken het gebrek te herstellen door navraag te doen bij de AIVD over de actualiteit van het ambtsbericht en zo nodig de besluiten te wijzigen of te vervangen. De zaak wordt aangehouden voor een einduitspraak over proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Raad van State beveelt de staatssecretaris binnen acht weken het gebrek in de besluitvorming te herstellen en de besluiten zo nodig te wijzigen of te vervangen.