ECLI:NL:RVS:2022:2489

Raad van State

Datum uitspraak
26 augustus 2022
Publicatiedatum
25 augustus 2022
Zaaknummer
202103649/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.14 Vb 2000Artikel 8:54 AwbArtikel 91, tweede lid, Vw 2000Gezinsherenigingsrichtlijn (PB 2003, L 251, met rectificatie in PB 2012, L 71)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens niet-erkend huwelijk

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 11 februari 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 8 december 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 10 mei 2021 eveneens ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.

De vreemdeling voerde aan dat het criterium uit artikel 3.14 van het Vreemdelingenbesluit 2000, dat een huwelijk naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig moet zijn, niet correct is geïmplementeerd in de Gezinsherenigingsrichtlijn. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank deze beroepsgrond had moeten behandelen, maar dat dit niet tot vernietiging van de uitspraak leidt.

De staatssecretaris had namelijk ook aangevoerd dat er discrepanties zijn in de huwelijksakte, zoals verschillen in huwelijksdatum en onjuiste vermelding van nationaliteit en religie van de referent. De vreemdeling betwistte deze feiten niet, waardoor niet is aangetoond dat sprake is van een geldig huwelijk. Daarom zijn de voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning niet vervuld.

De tweede grief van de vreemdeling werd niet inhoudelijk behandeld omdat deze geen belang had voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, met een verbetering van de motivering. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt bevestigd.

Uitspraak

202103649/1/V3.
Datum uitspraak: 26 augustus 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 mei 2021 in zaak nr. 20/9420 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 11 februari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 8 december 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 mei 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. Werner, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       De vreemdeling klaagt in de eerste grief terecht dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan haar beroepsgrond dat het criterium uit artikel 3.14, aanhef en onder a, van het Vb 2000 dat sprake moet zijn van een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk geen juiste implementatie is van de Gezinsherenigingsrichtlijn (PB 2003, L 251, met rectificatie in PB 2012, L 71). De rechtbank had die beroepsgrond moeten bespreken voordat zij kon oordelen of de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het huwelijk tussen de vreemdeling en referent niet rechtsgeldig is en dat de vreemdeling daarom niet onder de reikwijdte van de Gezinsherenigingsrichtlijn valt. De grief kan echter niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris heeft de vreemdeling namelijk ook tegengeworpen dat de huwelijksdatum in de huwelijksakte en het registratiedocument verschillen en dat in de huwelijksakte de nationaliteit en de religie van referent onjuist worden vermeld. De huwelijksakte kan daarom volgens de staatssecretaris niet dienen als bewijs voor het bestaan van een huwelijk tussen de vreemdeling en referent. De vreemdeling bestrijdt dat niet. Alleen daarom al is niet aangetoond dat zij gehuwd is met referent en is niet voldaan aan de in de Vw 2000 en de Gezinsherenigingsrichtlijn gestelde voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning.
2.       Wat de vreemdeling in de tweede grief aanvoert leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Conclusie
3.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de gronden waarop zij rust. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.
w.g. Steendijk
voorzitter
w.g. Melse
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2022
191-959