ECLI:NL:RVS:2022:2489
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- C.J. Borman
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens niet-erkend huwelijk
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 11 februari 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 8 december 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 10 mei 2021 eveneens ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De vreemdeling voerde aan dat het criterium uit artikel 3.14 van het Vreemdelingenbesluit 2000, dat een huwelijk naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig moet zijn, niet correct is geïmplementeerd in de Gezinsherenigingsrichtlijn. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank deze beroepsgrond had moeten behandelen, maar dat dit niet tot vernietiging van de uitspraak leidt.
De staatssecretaris had namelijk ook aangevoerd dat er discrepanties zijn in de huwelijksakte, zoals verschillen in huwelijksdatum en onjuiste vermelding van nationaliteit en religie van de referent. De vreemdeling betwistte deze feiten niet, waardoor niet is aangetoond dat sprake is van een geldig huwelijk. Daarom zijn de voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning niet vervuld.
De tweede grief van de vreemdeling werd niet inhoudelijk behandeld omdat deze geen belang had voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, met een verbetering van de motivering. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt bevestigd.