ECLI:NL:RVS:2022:2422
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boetebesluit staatssecretaris
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 1 december 2020 een boete van €60.075,- op aan appellante wegens een overtreding van artikel 55a van de Vreemdelingenwet 2000. Na bezwaar en beroep werd de boete door de rechtbank Den Haag op 22 juni 2022 herzien tot €30.000,-. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering aan de uitspraak van de rechtbank te voorkomen.
De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek van de staatssecretaris alleen was gebaseerd op een financieel belang, zonder aannemelijk te maken dat appellante niet in staat zou zijn het eventueel terug te vorderen bedrag te betalen. De stelling dat het terugvorderen een onevenredige inspanning zou zijn, was onvoldoende. Er was daarom geen sprake van een spoedeisend belang om een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek werd afgewezen en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante, welke geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd op 22 augustus 2022 in het openbaar gedaan.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.