ECLI:NL:RVS:2022:2414
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State in hoger beroep tegen afwijzing teruggave paspoort vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees bij besluit van 1 juli 2020 het verzoek van de vreemdeling om teruggave van zijn paspoort af. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 12 oktober 2020 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 23 maart 2021 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelt echter dat zij op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en artikel 8:104 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep, omdat het besluit betrekking heeft op het tijdelijk in bewaring nemen van het paspoort, een besluit dat onder hoofdstuk 4 van de Vw 2000 valt.
Hoewel de rechtbank ten onrechte in haar uitspraak vermeldde dat hoger beroep mogelijk is, leidt dit niet tot bevoegdheid van de Afdeling. Wel veroordeelt de Afdeling de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling heeft gemaakt in verband met de behandeling van het hoger beroep, omdat de onjuiste vermelding van de rechtbank tot onnodige kosten heeft geleid.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.