ECLI:NL:RVS:2022:2406
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging verblijfsrecht en ongewenstverklaring gemeenschapsonderdaan
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 4 juni 2020 het verblijfsrecht van de vreemdeling als gemeenschapsonderdaan beëindigd, hem onmiddellijk vertrek uit Nederland opgelegd en hem ongewenst verklaard. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 4 augustus 2020 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 1 juni 2022 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen vragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden en bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank. De vreemdeling slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de staatssecretaris ten onrechte geen positieve gedragsverandering had aangenomen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde het eerdere oordeel en bepaalde dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het verblijfsrecht en ongewenstverklaring wordt bevestigd.