ECLI:NL:RVS:2022:2358
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens risico schending EVRM artikel 3
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 10 september 2021 besloten om de asielaanvraag van de vreemdeling niet in behandeling te nemen. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep ongegrond verklaarde op 9 november 2021. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtsvraag over het indirecte reële risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest bij overdracht aan Denemarken reeds was beantwoord in een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2022:1864). Op basis daarvan werd geoordeeld dat het eerste grief slaagt en het hoger beroep gegrond is.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het besluit van de staatssecretaris werd eveneens vernietigd. De staatssecretaris werd verplicht een nieuw besluit te nemen en te zorgen dat de vreemdeling kan terugkeren naar Nederland. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De proceskostenvergoeding werd in een andere zaak behandeld.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is vernietigd en de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen.