ECLI:NL:RVS:2022:2161
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Subsidieaanvraag afgewezen wegens onvoldoende huisvesting vergunninghouders, hoger beroep gegrond verklaard
De minister van Binnenlandse Zaken wees de subsidieaanvraag van appellante af op grond van de Tijdelijke regeling stimulering huisvesting vergunninghouders, omdat op het moment van aanvraag minder dan vier vergunninghouders in de woonvoorziening woonden. Appellante had het voornemen tot realisatie gemeld en een verklaring van budgetreservering ontvangen, maar kon door omstandigheden buiten haar macht geen vergunninghouders huisvesten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling in dit concrete geval buiten toepassing had moeten laten vanwege de onevenredige gevolgen voor appellante. Zij had immers een aanzienlijke investering gedaan en alles gedaan om aan de voorwaarden te voldoen.
De Afdeling vernietigde het eerdere besluit en bepaalde dat de minister alsnog de subsidie van € 27.500,00 aan appellante moet verlenen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van evenredigheid en individuele belangenafweging bij toepassing van subsidiebepalingen.
Uitkomst: De minister wordt verplicht de subsidie van € 27.500,00 alsnog aan appellante te verlenen en proceskosten te vergoeden.