ECLI:NL:RVS:2022:2143
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering woningvormingsvergunning wegens onjuiste beoordeling splitsing woning
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees op 2 oktober 2019 een aanvraag voor een woningvormingsvergunning af omdat de woningen kleiner waren dan 40 m2, niet voldaan werd aan artikel 38, derde lid, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2015-2019. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de woning feitelijk al vóór 1 november 2015 bouwkundig was gesplitst, toen nog geen woningvormingsvergunning vereist was. Het college baseerde zich op een intrekkingsbesluit van een omgevingsvergunning wegens het ontbreken van werkzaamheden, maar kon dit niet met stukken onderbouwen. Appellant overlegde huurovereenkomsten uit 2011 en 2014 en wees op het bestaan van twee huisnummers sinds 2015 en betaling van onroerendezaakbelasting voor twee woningen.
De Afdeling oordeelde dat het college onvoldoende alle omstandigheden had betrokken bij de beoordeling en dat de weigering onvoldoende was gemotiveerd. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college en bepaalde dat het college binnen twaalf weken een nieuw besluit moet nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de woningvormingsvergunning wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd.