ECLI:NL:RVS:2022:2117
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing aanvraag verblijfsdocument gemeenschapsonderdaan
De vreemdeling had bij besluit van 14 april 2020 een aanvraag ingediend voor een document dat rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan bevestigt. Deze aanvraag werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd bij besluit van 13 november 2020 ongegrond verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 27 mei 2022 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Raad stelde vast dat het hogerberoepschrift niet tijdig was ingediend, omdat de beroepstermijn begint te lopen vanaf de dag na verzending van de uitspraak van de rechtbank en niet vanaf de dag na ontvangst, zoals de vreemdeling had betoogd. Hierdoor werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De Raad van State oordeelde dat er geen reden was om het hoger beroep alsnog in behandeling te nemen en dat de staatssecretaris geen proceskosten hoefde te vergoeden. Het vonnis werd uitgesproken door de enkelvoudige kamer, bestaande uit lid C.M. Wissels, op 25 juli 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.