Uitspraak
Datum uitspraak: 20 juli 2022
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
griffier
Raad van State
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde appellant een boete van €175 op en bepaalde dat hij de lening voor de inburgeringscursus moest terugbetalen, omdat hij de inburgeringstermijn had overschreden. De rechtbank matigde de boete tot €100 maar handhaafde de terugbetalingsplicht volledig. Appellant voerde aan dat hij niet verwijtbaar te laat was vanwege de zorg voor zijn zieke ouders en dat de gevolgen van het besluit onevenredig waren.
De Raad van State oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de ziekte van zijn ouders een verlenging van de inburgeringstermijn rechtvaardigde, mede omdat hij geen juiste machtiging voor medische gegevens had overlegd. De rechtbank had terecht geoordeeld dat het examenonderdeel ONA meerdere keren per jaar werd aangeboden en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet eerder kon slagen.
De Raad van State vond het echter onevenredig dat appellant de volledige lening moest terugbetalen, omdat hij slechts negen dagen te laat was en inmiddels een maatschappelijke bijdrage levert. Daarom vernietigde de Afdeling bestuursrechtspraak het deel van de uitspraak dat de terugbetalingsplicht volledig in stand liet en bevestigde de matiging van de boete. De minister verleende vervolgens 90% kwijtschelding van de lening. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het beroep tegen de kwijtschelding ongegrond.
Uitkomst: De volledige terugbetalingsverplichting van de lening wordt vernietigd wegens geringe termijnoverschrijding, boete gematigd bevestigd.