ECLI:NL:RVS:2022:2054
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verklaring van rijgeschiktheid wegens matige dementie
Appellant heeft bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) een aanvraag ingediend voor een verklaring van rijgeschiktheid. Het CBR heeft deze aanvraag afgewezen op basis van een medisch advies van neuroloog Bakker, die concludeerde dat appellant lijdt aan een matige vorm van dementie (CDR 2), waardoor hij ongeschikt is voor rijbewijzen van groep 1 en 2.
Appellant stelde dat hij wel rijgeschikt is en verwees naar een brief van neuroloog Van Swieten, die geen Alzheimerpathologie vaststelde en zijn rijvaardigheid positief beoordeelde. De rechtbank oordeelde echter dat het CBR terecht het advies van Bakker mocht volgen en dat de brief van Van Swieten het advies zelfs ondersteunde, omdat ook daarin sprake was van een vorm van dementie.
De rechtbank stelde vast dat het CBR geen belangenafweging mocht maken vanwege de dwingendrechtelijke bepalingen in de Regeling eisen geschiktheid 2000, die personen met matige dementie ongeschikt verklaren voor de rijbewijzen van groep 1 en 2. Appellants argumenten over zijn rijervaring en wens om als directiechauffeur te blijven werken konden daaraan niets afdoen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de weigering van het CBR om appellant een verklaring van rijgeschiktheid te verstrekken wegens matige dementie.