Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2022:1956

Raad van State

Datum uitspraak
7 juli 2022
Publicatiedatum
12 juli 2022
Zaaknummer
202203451/2/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
  • A. Verburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening begunstigingstermijn last onder dwangsom tegen college Soest

De zaak betreft een hoger beroep van verzoeker tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland die het beroep ongegrond verklaarde tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Soest. Dit besluit betrof een last onder dwangsom opgelegd op 10 november 2020, waartegen bezwaar was gemaakt en dat bezwaar op 21 april 2021 ongegrond was verklaard.

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om de begunstigingstermijn, de termijn waarbinnen aan de last moet worden voldaan om verbeuring van dwangsommen te voorkomen, te verlengen totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak doet in de bodemprocedure. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek toegewezen, met als motivering dat het belang van verzoeker, die dwangsommen wil voorkomen, zwaarder weegt dan het belang van het college dat de overtredingen snel beëindigd worden.

De voorzieningenrechter overwoog dat er geen acuut gevaar voor het milieu of ruimtelijke belangen is, geen belangen van derden spelen en dat het handhavingstraject al jaren loopt. Tevens is het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht die verzoeker heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verlengt de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom totdat de bodemzaak is beslist en veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

202203451/2/R4
Datum uitspraak: 7 juli 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 april 2022 in zaak nr. 21/2417 in het geding tussen:
verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Soest.
Openbare zitting gehouden op 7 juli 2022 om 14.30 uur.
Tegenwoordig:
staatsraad mr. A. Verburg, voorzieningenrechter
griffier: mr. M.L.M. van Loo
jurist: mr. F.W.A. van Driel
Verschenen:
-         [verzoeker], bijgestaan door [gemachtigde]
-         het college, vertegenwoordigd door mr. P.S. Dijkstra.
======================================
Bij de uitspraak van 22 april 2022 in zaak nr. 21/2417 heeft de rechtbank het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van 21 april 2021 ongegrond verklaard. In dat besluit heeft het college het bezwaar van [verzoeker] tegen een besluit van 10 november 2020 ongegrond verklaard. Dat laatste besluit is een last onder dwangsom.
[verzoeker] heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Daarnaast heeft hij om een voorlopige voorziening verzocht.
Het verzoek heeft als strekking dat door de voorzieningenrechter wordt bepaald dat de begunstigingstermijn doorloopt totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemzaak. De begunstigingstermijn is de termijn die een overtreder krijgt om aan de last te voldoen en te voorkomen dat dwangsommen verbeuren.
De voorzieningenrechter:
I.  wijst het verzoek toe en bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn doorloopt totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemzaak;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Soest tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het verzoek bij [verzoeker] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.607,26, waarvan € 1.518 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende
rechtsbijstand;
III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Soest het in verband met de behandeling van het verzoek door [verzoeker] betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,- vergoedt.
De voorzieningenrechter heeft de volgende redenen om tot dit oordeel te komen.
Het belang van [verzoeker] is daarin gelegen dat hij wenst te voorkomen dat door hem dwangsommen worden verbeurd hangende de procedure in hoger beroep.
Daartegenover staat het belang van het college, dat wenst dat de overtredingen, die volgens het college aan de orde zijn, zo snel mogelijk door [verzoeker] worden beëindigd.
Bij afweging van de belangen is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van [verzoeker] meer weegt dan dat van het college. Hierbij is van belang dat:
- er met de last onder dwangsom wel een zwaard van Damocles boven het hoofd van [verzoeker] hangt; dat kan terecht wezen, maar daar moet je discussie over hebben in de hoofdzaak, in de recente ontwikkelingen ook omdat via de vergunning van rechtswege de vraag is opgekomen wat al of niet impliciet vergund is,
- terwijl er geen acuut gevaar voor het milieu is en evenmin een ander acuut ruimtelijk belang in het geding is,
- er geen belangen van derden in het spel zijn en
- er verder sprake is van een al jaren bestaande situatie, waarbij het handhavingstraject in feite al vanaf 2008 loopt, waarbij pas sinds 2018 echte handhavingsmiddelen zijn ingezet.
Het college moet de proceskosten vergoeden.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Van Loo
griffier
418.