Uitspraak
Datum uitspraak: 6 juli 2022
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
Raad van State
De burgemeester van Eindhoven legde op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op tot sluiting van een woning voor vier maanden vanwege het aantreffen van 79,66 gram cocaïne in de woning en 3,6 gram in de auto van de zoon van appellante. De zoon was verdachte en in voorlopige hechtenis genomen.
De rechtbank verklaarde het besluit tot sluiting en het daaropvolgende bezwaar ongegrond. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat niet aannemelijk was dat er feitelijk drugs werden verhandeld vanuit de woning. Er waren geen meldingen, verklaringen of attributen die op handel wezen, en de zoon had de woning al verlaten.
De Afdeling stelde dat de burgemeester onvoldoende had gemotiveerd waarom sluiting noodzakelijk was voor het herstel van de openbare orde en het woon- en leefklimaat. De sluiting was daarom niet proportioneel en het besluit werd vernietigd. Tevens werden proceskosten en griffierechten aan appellante toegekend.
Uitkomst: Het besluit tot sluiting van de woning wordt vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing van drugshandel en noodzaak tot sluiting.