ECLI:NL:RVS:2022:1796

Raad van State

Datum uitspraak
23 juni 2022
Publicatiedatum
23 juni 2022
Zaaknummer
202203214/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel na hoger beroep

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 6 april 2022 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond op 20 mei 2022. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.

In het hoger beroep klaagde de vreemdeling terecht over een vermeende tegenstrijdigheid in zijn verklaringen omtrent zijn religieuze overtuiging, maar de Raad van State oordeelde dat dit niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leidt. De overige bezwaren van de vreemdeling werden eveneens verworpen omdat de rechtbank terecht het asielrelaas ongeloofwaardig achtte.

De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend aan de vreemdeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd.

Uitspraak

202203214/1/V2.
Datum uitspraak: 23 juni 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 20 mei 2022 in zaak nr. NL22.6389 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 6 april 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 20 mei 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Spapens, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De vreemdeling klaagt in de vierde grief terecht dat hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet tegenstrijdig heeft verklaard door enerzijds te stellen dat hij geen moslim wilde worden toen hij bij zijn vader introk, maar anderzijds dat hij zich toen wel in de islam heeft proberen te verdiepen. De rechtbank heeft niet onderkend dat de vreemdeling dit laatste alleen onder dwang van zijn vader stelt te hebben gedaan. De klacht leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Uit overweging 2 hieronder volgt namelijk dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de overige tegenwerpingen van de staatssecretaris standhouden. Die tegenwerpingen maken dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de staatssecretaris het asielrelaas niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden. De grief faalt daarom.
2.       Wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd, leidt evenmin tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het betoog geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Baldinger, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Renting, griffier.
w.g. Baldinger
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Renting
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2022
894