ECLI:NL:RVS:2022:1696
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering omgevingsvergunning voor illegale fietsenberging in voortuin Haarlem
In deze zaak heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het legaliseren van een in 2015 zonder vergunning geplaatste fietsenberging in de voortuin van een woning. De fietsenberging voldoet niet aan de voorwaarden van de beheersverordening "Veegplan Haarlem 2017" en is in strijd met het bestemmingsplan.
De rechtbank verklaarde het beroep van de appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de fietsenberging geen beschermende werking toekomt op grond van het overgangsrecht, omdat deze zonder vergunning en in strijd met het toen geldende bestemmingsplan is gebouwd. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel werd verworpen, omdat geen vergelijkbare gevallen konden worden aangetoond.
De Raad van State bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat het college terecht heeft geweigerd om op grond van artikel 2.12 van de Wabo een afwijking van het bestemmingsplan toe te staan. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat het handhaaft aan het groene en open karakter van voortuinen en dat de aanwezigheid van een achterom het gebruik van een fietsenberging in de voortuin overbodig maakt.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeert dat de appellant geen recht kan ontlenen aan de illegale plaatsing van de fietsenberging en dat het college niet onredelijk heeft gehandeld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning bevestigd.