ECLI:NL:RVS:2022:1444
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring vreemdeling met Poolse nationaliteit wegens niet beëindigd verblijf in Nederland
De vreemdeling, met de Poolse nationaliteit, werd bij besluit van 12 augustus 2021 in bewaring gesteld nadat was vastgesteld dat hij alleen het verblijfsrecht op grond van artikel 6 van Pro de Verblijfsrichtlijn had en niet voldeed aan de vereisten van artikel 7. Hij was op 30 juni 2021 uitgezet naar Polen en ontving daar een geldig paspoort. De vreemdeling verklaarde op 12 augustus 2021 Nederland weer te zijn binnengekomen en zijn eerdere levenswijze in Nederland te willen voortzetten.
De rechtbank oordeelde dat de vreemdeling zijn verblijf niet daadwerkelijk en effectief had beëindigd, omdat hij Nederland niet vrijwillig binnen de gestelde vertrektermijn had verlaten en geen bewijs had geleverd van een materiële wijziging in zijn omstandigheden. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel en wijst erop dat het enkele fysieke vertrek niet volstaat om te voldoen aan het verwijderingsbesluit. De vreemdeling heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk heeft beëindigd.
De Afdeling overweegt dat het verkrijgen van een nieuw paspoort geen materiële wijziging van omstandigheden inhoudt en dat het recht op inreis op grond van artikel 5 van Pro de Verblijfsrichtlijn niet geldt om uitsluitend in Nederland te verblijven. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met een proceskostenvergoeding aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring van de vreemdeling bevestigd.