AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging beperkte kennisneming geheime stukken MIVD in VGB-zaak
Appellant stelde hoger beroep in tegen de weigering van de minister van Defensie om een Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) niveau C te verstrekken en tegen het intrekken van de VGB niveau B. De minister overhandigde twee geheime stukken, waaronder een veiligheidsonderzoek van de MIVD en een melding aan de MIVD, en verzocht op grond van artikel 8:29 AwbPro dat alleen de Afdeling bestuursrechtspraak kennis zou mogen nemen van deze stukken.
De Afdeling voerde een belangenafweging uit tussen het belang van appellant om alle relevante informatie te ontvangen en het belang van de bestuursrechter om de zaak zorgvuldig te beoordelen, tegenover het belang van de nationale veiligheid, de bescherming van bronnen en de werkwijze van de MIVD. Gezien het fundamentele belang van geheimhouding voor de effectieve taakuitoefening van de MIVD en het risico op schade aan lopende onderzoeken en de nationale veiligheid, oordeelde de Afdeling dat het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd is.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wees het verzoek van de minister toe en bepaalde dat alleen de Afdeling kennis mag nemen van de geheime stukken. Dit vonnis werd uitgesproken door de enkelvoudige geheimhoudingskamer op 13 mei 2022.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak wijst het verzoek van de minister toe en bepaalt dat alleen de Afdeling kennis mag nemen van de geheime stukken.
Uitspraak
202106766/2/A3.
Datum beslissing: 13 mei 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 7 september 2021 in zaak nr. 20/7320 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Defensie.
Procesverloop
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 7 september 2021 in zaak nr. 20/7320. De zaak betreft de weigering van de minister een Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) niveau C te verstrekken en het beluit de VGB niveau B van [appellant] in te trekken.
De minister heeft twee gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 vanPro de Awb meegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.
Het betreft:
- een veiligheidsonderzoek van de MIVD over [appellant
- een melding aan de MIVD
Overwegingen
1. De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen.
2. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
3. De minister heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat geheimhouding van de stukken van fundamenteel belang is, omdat de MIVD voor een groot deel van zijn informatie afhankelijk is van bronnen. Indien de MIVD niet zorgvuldig omgaat met zijn bronnen en de daarvan verkregen informatie, dan zou dat de effectieve taakuitoefening van de MIVD sterk bemoeilijken of frustreren. Tevens kan het lopende onderzoeken schaden. Kennisneming van de geheime stukken geeft bovendien inzicht in de werkwijze van de MIVD, die bescherming verdiend. Verstrekking van de gegevens zou de nationale veiligheid kunnen schaden.
4. De Afdeling heeft kennis genomen van de geheime stukken. Naar het oordeel van de Afdeling wegen in dit geval het belang van een effectieve taakuitoefening door de MIVD, de bescherming van zijn werkwijze bij het doen van veiligheidsonderzoeken en bronnen en de bescherming van de nationale veiligheid zwaarder dan het belang van [appellant] om kennis te nemen van de stukken. De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.