ECLI:NL:RVS:2022:1310
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Hoekstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom voor bezit inbrekerswerktuigen in Dordrecht
Het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht legde appellant op 23 november 2019 een last onder dwangsom op omdat hij inbrekerswerktuigen bij zich had op een openbare plaats. Dit volgde op zijn aanhouding wegens inbraak waarbij bewakingsbeelden toonden dat appellant op de uitkijk stond terwijl een medeverdachte inbrak met een kniptang.
Appellant voerde aan dat hij geen overtreder was omdat de betonschaar niet bij hem was aangetroffen en hij niet wist dat de medeverdachte inbrekerswerktuigen vervoerde. De rechtbank oordeelde echter dat op basis van de bewakingsbeelden, het aantreffen van zijn rijbewijs in het voertuig en zijn aanwezigheid bij de inbraak, het college terecht aannam dat appellant inbrekerswerktuigen bij zich had.
De Raad van State bevestigt dit oordeel en het besluit van de rechtbank Rotterdam dat het bezwaar van appellant ongegrond verklaarde. Het college was bevoegd om handhavend op te treden met een last onder dwangsom. De Raad van State wijst het hoger beroep af en bevestigt de uitspraak van 25 juni 2021.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de last onder dwangsom wegens het bij zich hebben van inbrekerswerktuigen en verklaart het hoger beroep ongegrond.