ECLI:NL:RVS:2022:1269

Raad van State

Datum uitspraak
2 mei 2022
Publicatiedatum
2 mei 2022
Zaaknummer
202103415/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 91 lid 2 Vw 2000Artikel 1(F) VluchtelingenverdragArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsdocument en inreisverbod gemeenschapsonderdaan

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 17 oktober 2018 de aanvraag van een vreemdeling om afgifte van een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan af, evenals het verzoek tot opheffing van een tegen hem uitgevaardigd inreisverbod. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 24 februari 2020 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde hij beroep in bij de rechtbank, die op 23 april 2021 het beroep ongegrond verklaarde.

De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming en bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank. De Afdeling verwierp het hoger beroep en bevestigde de eerdere uitspraak, waarbij de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 2 mei 2022, waarbij de voorzitter en leden het vonnis hebben vastgesteld in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202103415/1/V3.
Datum uitspraak: 2 mei 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 23 april 2021 in zaak nr. 20/2358 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 17 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, en zijn verzoek om opheffing van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod, afgewezen.
Bij besluit van 24 februari 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 april 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat te Waalwijk, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling verwijst daarvoor naar haar uitspraak van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3017, over het onderzoek en de beoordeling van de staatssecretaris bij een inreisverbod of ongewenstverklaring tegen een vreemdeling aan wie artikel 1(F), onder a, van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Steendijk
voorzitter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2022
347-918