ECLI:NL:RVS:2022:1266
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering exploitatievergunning passagiersvaart Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft in verschillende besluiten de aanvragen van [verzoekster sub 1], [bedrijf A] en [bedrijf B] voor exploitatievergunningen voor passagiersvaartuigen afgewezen. Tegen deze besluiten zijn bezwaren gemaakt die het college ongegrond heeft verklaard. De verzoekers hebben daarop afzonderlijke beroepen ingesteld en gezamenlijk een voorlopige voorziening gevraagd om per 1 maart 2024 als vergunninghouders te worden behandeld.
De voorzieningenrechter van de Raad van State heeft het verzoek behandeld en geoordeeld dat het gemeentelijk informatieblad waarop verzoekers zich baseren achterhaald is. De besluitvorming over de verdeling van op- en afstaplocaties en de voorwaarden waaronder reders kunnen meedingen is nog niet afgerond en wordt mogelijk herijkt. Er is geen formele inschrijvingsprocedure met deadlines en het college streeft naar een breed gedragen voorstel.
Gezien deze stand van zaken ontbreekt een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening. De verzoeken zijn te vroeg gedaan omdat nog niet vaststaat dat verzoekers niet kunnen deelnemen aan de verdeelprocedure. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en bevordert een versnelde behandeling van de bodemzaken. Tevens wordt een teveel betaald griffierecht aan [bedrijf B] terugbetaald.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.