ECLI:NL:RVS:2022:1172
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs familierechtelijke relatie
De vreemdeling, met de Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar gestelde halfbroer, die een verblijfsvergunning asiel bezit, te verblijven. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was gemaakt wie de biologische ouders van de referent waren, waardoor de familierechtelijke relatie niet kon worden vastgesteld.
De vreemdeling had diverse documenten overgelegd, waaronder een verklaring van een Eritrese rechtbank, een bewonerspas, een ID-kaart, een registratiekaart van UNHCR en getuigenverklaringen. De staatssecretaris beoordeelde deze documenten afzonderlijk en achtte ze onvoldoende bewijs vanwege onofficieel karakter, kopieën, tegenstrijdige data en onmogelijkheid tot echtheidsbeoordeling.
De rechtbank volgde dit standpunt en verklaarde het beroep ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat de staatssecretaris de documenten niet in onderlinge samenhang had beoordeeld en onvoldoende rekening had gehouden met het Algemeen Ambtsbericht Eritrea over de beschikbaarheid van documenten. De Raad van State vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De zaak benadrukt het belang van een zorgvuldige, samenhangende bewijswaardering en het toepassen van een genuanceerd beoordelingskader in vreemdelingenzaken, mede rekening houdend met landenspecifieke omstandigheden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd wegens onjuiste bewijswaardering.