ECLI:NL:RVS:2022:1116
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing visumaanvraag kort verblijf voor familieleden Unieburger
De zaak betreft het hoger beroep van drie vreemdelingen tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een visum voor kort verblijf, bedoeld als faciliterend visum voor familieleden van een Unieburger. De minister van Buitenlandse Zaken had de aanvragen op 26 maart 2020 afgewezen en het bezwaar daarop op 26 oktober 2020 ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde deze besluiten op 24 maart 2021.
De vreemdelingen stelden in hoger beroep onder meer dat de rechtbank ten onrechte geen rekening had gehouden met leesbare kopieën van bankafschriften die zij later hadden overgelegd. De Raad van State oordeelde dat deze grief inhoudelijk niet tot vernietiging leidt, omdat uit de bankafschriften niet blijkt waarom de verleende steun noodzakelijk was gezien de economische en sociale situatie van de vreemdelingen. De Raad verwees naar het arrest Jia van het HvJEU, waarin is bepaald dat het bewijs van noodzakelijke steun met ieder passend middel kan worden geleverd, maar dat in deze zaak de overgelegde stukken onvoldoende zijn.
Verder stelde de Raad vast dat het niet nodig was om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU, omdat de relevante rechtsvragen niet essentieel zijn voor de oplossing van de zaak. Andere aangevoerde grieven leidden ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.