ECLI:NL:RVS:2021:927
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 15 oktober 2018 en 4 september 2019 aanvragen van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat op 20 december 2019 opnieuw ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond in september 2020.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat de staatssecretaris de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro niet deugdelijk had gemotiveerd. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris niet alle relevante individuele omstandigheden had meegewogen, zoals het feit dat de vreemdeling met een referent is getrouwd, zijn aanvraag vanuit het land van herkomst heeft ingediend en afgewacht, en de situatie van de referent met haar zieke minderjarige zoon en haar financiële situatie.
De Raad van State vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 20 december 2019. De staatssecretaris moet opnieuw beslissen en daarbij de individuele omstandigheden in het nieuwe besluit betrekken. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, zij het zonder griffierecht omdat dit niet geheven was.
De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 28 april 2021.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de staatssecretaris moet opnieuw beslissen met inachtneming van de individuele omstandigheden.