ECLI:NL:RVS:2021:927

Raad van State

Datum uitspraak
28 april 2021
Publicatiedatum
29 april 2021
Zaaknummer
202005437/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 15 oktober 2018 en 4 september 2019 aanvragen van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat op 20 december 2019 opnieuw ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond in september 2020.

De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat de staatssecretaris de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro niet deugdelijk had gemotiveerd. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris niet alle relevante individuele omstandigheden had meegewogen, zoals het feit dat de vreemdeling met een referent is getrouwd, zijn aanvraag vanuit het land van herkomst heeft ingediend en afgewacht, en de situatie van de referent met haar zieke minderjarige zoon en haar financiële situatie.

De Raad van State vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 20 december 2019. De staatssecretaris moet opnieuw beslissen en daarbij de individuele omstandigheden in het nieuwe besluit betrekken. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, zij het zonder griffierecht omdat dit niet geheven was.

De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 28 april 2021.

Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de staatssecretaris moet opnieuw beslissen met inachtneming van de individuele omstandigheden.

Uitspraak

202005437/1/V2.
Datum uitspraak: 28 april 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 september 2020 in zaak nr. 20/333 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 15 oktober 2018 en 4 september 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen om ten behoeve van de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 20 december 2019 heeft de staatssecretaris het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen het besluit van 15 oktober 2018, opnieuw ongegrond verklaard en het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen het besluit van 4 september 2018, ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 september 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Wiersma, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       De vreemdeling betoogt in zijn hogerberoepschrift terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris de belangenafweging op grond van artikel 8 van Pro het EVRM in dit geval niet deugdelijk heeft gemotiveerd. In die belangenafweging zijn een aantal elementen niet kenbaar door de staatssecretaris meegewogen. Het gaat dan om de door de vreemdeling naar voren gebrachte individuele omstandigheid dat hij weliswaar met referent getrouwd is terwijl hij niet in het bezit was van een verblijfsvergunning in Nederland, maar wel zijn aanvraag vanuit zijn land van herkomst heeft ingediend en afgewacht. Maar ook dat referent samenwoont met haar zieke, minderjarige zoon, dat referent heeft gesteld dat zij rondkomt van haar inkomen en het verschil tussen het normbedrag en de middelen van bestaan waarover referent beschikt. Daarom is de vraag niet beantwoord of het in het licht van de relevante gegevens en belangen van het individuele geval, in hun onderlinge samenhang bezien, evenredig is dat de staatssecretaris het belang bij het economisch welzijn van Nederland zwaarder heeft laten wegen dan het belang van de vreemdeling bij het uitoefenen van het gezinsleven met referent in Nederland.
De grieven slagen.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 20 december 2019 wordt ook vernietigd. Dit betekent dat de staatssecretaris opnieuw op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar moet beslissen en in een nieuw besluit moet ingaan op de individuele omstandigheden die de vreemdeling aan de orde heeft gesteld. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van rechtbank Den Haag van 7 september 2020 in zaak nr. 20/333;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 20 december 2019, V-[…];
V.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.602,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2021
572-915