Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2021:702

Raad van State

Datum uitspraak
2 april 2021
Publicatiedatum
6 april 2021
Zaaknummer
202004182/4/A3 en 202004252/4/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen staatsraad in bestuursrechtelijke procedure

Verzoeker heeft bij de zitting van 24 maart 2021 verzocht om wraking van staatsraad C.J. Borman in twee bestuursrechtelijke zaken. Dit verzoek was gebaseerd op eerdere procedures waarin verzoeker de behandelend rechter had gewraakt en waarin hij van mening was dat fundamentele rechtsbeginselen waren geschonden.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft onderzocht of er feiten of omstandigheden zijn die de onpartijdigheid van de staatsraad in gevaar brengen. Verzoeker stelde dat de uitspraak van 5 oktober 2020 niet gemotiveerd was en dat hij de staatsraad die deze uitspraak deed, wilde horen om zijn verzet te onderbouwen.

De Afdeling oordeelde dat het systeem van de Algemene wet bestuursrecht geen grond biedt voor het horen van de rechter die de bestreden uitspraak heeft gedaan binnen de verzetprocedure. Ook is het aan verzoeker om aannemelijk te maken dat er bijzondere omstandigheden zijn die een vermoeden van vooringenomenheid rechtvaardigen, wat niet is gelukt.

Daarom concludeerde de Afdeling dat er geen sprake is van feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van de staatsraad aantasten. Het wrakingsverzoek werd afgewezen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen staatsraad C.J. Borman wordt afgewezen wegens het ontbreken van objectieve aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

202004182/4/A3 en 202004252/4/A3.
Datum beslissing: 2 april 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek van:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
om wraking (artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) van staatsraad C.J. Borman als lid van de Afdeling bij de behandeling van de zaken nrs. 202004182/3/A3 en 202004252/3/A3.
Procesverloop
Tijdens de zitting op 24 maart 2021 heeft [verzoeker] verzocht om wraking van staatsraad C.J. Borman (hierna: de staatsraad) bij de behandeling van de zaken nrs. 202004182/3/A3 en 202004252/3/A3.
De staatsraad heeft niet in de wraking berust.
De staatsraad heeft een schriftelijke reactie ingediend, die aan verzoeker is toegezonden.
De Afdeling heeft op 29 maart 2021 [verzoeker] gehoord.
De staatsraad heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Overwegingen
1.       Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van Pro de Awb elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.       Aan het verzoek om wraking is het volgende ten grondslag gelegd. De rechtbank Rotterdam heeft op 22 oktober 2019 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Awb, een beroep van [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard. [verzoeker] heeft hiertegen verzet gedaan. Op de zitting waar het verzet werd behandeld, heeft hij de behandelend rechter gewraakt. Bij beslissing van 16 juli 2020 is het verzoek om wraking afgewezen. Bij uitspraak van 24 juli 2020 is het verzet ongegrond verklaard.
Hoewel tegen de beslissing en de uitspraak van de rechtbank geen hoger beroep openstaat, heeft [verzoeker] daartegen wel hoger beroep bij de Afdeling ingesteld. [verzoeker] is namelijk van mening dat de rechtbank fundamentele rechtsbeginselen heeft geschonden. Om die reden heeft hij de Afdeling gemotiveerd verzocht om doorbreking van het appelverbod.
Bij uitspraak van 5 oktober 2020, in zaken nrs. 202004182/2/A3 en 202004252/2/A3 heeft de Afdeling zich, onder verwijzing naar de relevante wettelijke bepalingen, kennelijk onbevoegd verklaard om van de hoger beroepen van [verzoeker] kennis te nemen. [verzoeker] heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. Tijdens de behandeling van het verzet op een zitting heeft [verzoeker] aangegeven dat hij staatsraad F.C.M.A. Michiels, die na vereenvoudigde behandeling als lid van de enkelvoudige kamer de voormelde uitspraak van 5 oktober 2020 heeft gewezen, wil horen. Na de opmerking ter zitting van de staatsraad dat de verzetprocedure niet voorziet in het horen van de staatsraad die de uitspraak, waarvan verzet, heeft gewezen, in dit geval staatsraad Michiels, heeft [verzoeker] de staatsraad gewraakt. Volgens [verzoeker] is de uitspraak van 5 oktober 2020 niet gemotiveerd, terwijl hij gemotiveerd heeft aangevoerd dat in zijn geval doorbreking van het appelverbod geboden was. Hij heeft in dat kader een verklaring van staatsraad Michiels nodig om zijn verzet te kunnen onderbouwen, aldus [verzoeker].
3.       Op grond van het bepaalde in art. 8:15 van Pro de Awb dient in een wrakingsprocedure (uitsluitend) te worden onderzocht of sprake is van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij geldt als maatstaf dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een belanghebbende bestaande vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Het is aan [verzoeker] om aannemelijk te maken dat zich dergelijke bijzondere omstandigheden voordoen. Het subjectieve oordeel van de belanghebbende is niet doorslaggevend.
4.       De verzetprocedure is gericht op beantwoording van de vraag of terecht tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan, in dit geval op de grond dat de Afdeling kennelijk onbevoegd is om van de hoger beroepen kennis te nemen nu daar geen wettelijke grondslag voor bestaat. [verzoeker] kan in die verzetprocedure aanvoeren dat de Afdeling in zijn geval ten onrechte tot die vereenvoudigde behandeling is overgegaan, omdat daarmee volgens hem wordt miskend dat hij in de hogerberoepschriften heeft aangegeven dat er aanleiding was voor een doorbreking van dat appelverbod. Het systeem van de Awb biedt evenwel geen grond voor het in verzet als getuige horen van de rechter die de in verzet ter beoordeling voorliggende uitspraak heeft gedaan. Daartoe bestaat ook geen noodzaak. [verzoeker] is het niet eens met de uitspraak van 5 oktober 2020 waarbij de Afdeling zich kennelijk onbevoegd heeft verklaard om van de hoger beroepen kennis te nemen. Daartegen staat het middel van verzet open, wat [verzoeker] ook heeft aangewend. In dat verzet kan [verzoeker] al zijn argumenten naar voren brengen, inclusief het argument dat hij in zijn hoger beroepschriften gemotiveerd heeft verzocht om doorbreking van het appelverbod en dat de Afdeling in de uitspraak van 5 oktober 2020 daarop volgens hem ten onrechte niet gemotiveerd is ingegaan. Dat er in het verleden in civiele procedures of in strafzaken (oud)rechters zijn gehoord, doet aan het vorenstaande niet af. Wat [verzoeker] aanvoert, biedt daarom geen grond voor het oordeel dat de staatsraad, door staatsraad Michiels niet te horen in de verzetprocedure, partijdig of vooringenomen is geweest dan wel dat een bij [verzoeker] gerechtvaardigde vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
5.       Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat er geen grond is voor het oordeel dat sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Het verzoek om wraking wordt dan ook afgewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2021
473.