ECLI:NL:RVS:2021:600
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening in uitzettingszaak
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 oktober 2019 het verzoek van de vreemdeling af om op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 15 november 2019 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het daaropvolgende beroep op 28 september 2020 niet-ontvankelijk.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit hogerberoepschrift werd echter na de uiterste termijn van 30 oktober 2020 ingediend. De vreemdeling maakte geen gebruik van de mogelijkheid om redenen aan te voeren voor de late indiening.
De Raad van State oordeelde daarom dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is en dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer op 18 maart 2021.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.