ECLI:NL:RVS:2021:598
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 8 februari 2018 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor de vreemdeling af. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat op 9 april 2019 ongegrond werd verklaard. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 8 juni 2020 het besluit van de staatssecretaris vernietigde en de zaak terug verwees.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris aanvullend onderzoek moest doen naar de familierelatie en identiteit van de vreemdeling. De vreemdeling had het rapport van Bureau Documenten niet bestreden en geen substantieel bewijs overgelegd.
De Afdeling stelde vast dat de staatssecretaris terecht de aanvraag had afgewezen op basis van een contra-indicatie en het ontbreken van betrouwbare documenten, waarbij ook de verklaringen van de vreemdeling in samenhang waren beoordeeld. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.