ECLI:NL:RVS:2021:598

Raad van State

Datum uitspraak
17 maart 2021
Publicatiedatum
17 maart 2021
Zaaknummer
202003739/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf door staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 8 juni 2020. De rechtbank had in die uitspraak de afwijzing van een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf door de staatssecretaris vernietigd. De aanvraag was op 8 februari 2018 afgewezen, waarna de staatssecretaris het bezwaar hiertegen op 9 april 2019 ongegrond verklaarde. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. V.M. Oliana, had beroep ingesteld tegen deze afwijzing, wat leidde tot de uitspraak van de rechtbank.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in deze uitspraak de rechtsvragen over het beginsel van 'equality of arms' in nareiszaken behandeld. De staatssecretaris had geklaagd dat de rechtbank ten onrechte had overwogen dat hij aanvullend onderzoek moest aanbieden aan de vreemdeling en haar referent om hun familierelatie en identiteit aannemelijk te maken. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris zich terecht op het rapport van Bureau Documenten had beroepen en dat de vreemdeling geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan dit rapport had aangedragen.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier, en werd openbaar uitgesproken op 17 maart 2021.

Uitspraak

202003739/1/V1.
Datum uitspraak: 17 maart 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 8 juni 2020 in zaak nr. 19/3561 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 8 februari 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 9 april 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 juni 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. V.M. Oliana, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De Afdeling heeft de in de grieven opgeworpen rechtsvragen over het beginsel van 'equality of arms' in nareiszaken, namelijk wanneer en door wie een vreemdeling vanwege strijd met dit beginsel moet worden gecompenseerd, beantwoord in haar uitspraak van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1903, onder 5 tot en met 5.2. Uit deze uitspraak volgt dat de grieven in zoverre slagen. De Afdeling zal daarom alleen nog ingaan op de betogen die nog bespreking behoeven.
2.       De staatssecretaris klaagt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het op zijn weg ligt om de vreemdeling en referent, haar gestelde echtgenoot, aanvullend onderzoek in de vorm van een gehoor aan te bieden, zodat zij hun gestelde familierelatie en de identiteit van de vreemdeling aannemelijk kunnen maken met verklaringen. De staatssecretaris betoogt terecht dat de vreemdeling het rapport van Bureau Documenten van 1 november 2017 niet met succes heeft bestreden. De vreemdeling heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan dit rapport naar voren gebracht. Dat staat los van de vraag of zij in bewijsnood verkeert. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris zich daarom onder verwijzing naar het rapport terecht op het standpunt heeft gesteld dat de overgelegde geboorteakte en huwelijksakte vals zijn en dat daarmee een contra-indicatie bestaat voor het aanbieden van aanvullend onderzoek. Verder heeft de rechtbank onbestreden overwogen dat de staatssecretaris geen bewijsnood hoefde aan te nemen voor de identiteit van de vreemdeling en dat de vreemdeling geen ander, substantieel indicatief, bewijs heeft overgelegd om haar identiteit aannemelijk te maken. De staatssecretaris heeft dan ook niet ten onrechte geen aanvullend onderzoek aangeboden. Verder heeft de staatssecretaris in overeenstemming met het arrest van het Hof van Justitie van 13 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:192, de aanvraag niet alleen afgewezen wegens een contra-indicatie of het ontbreken van officiële documenten. Hij heeft namelijk de door de vreemdeling afgelegde verklaringen en overgelegde documenten in onderlinge samenhang in zijn beoordeling betrokken. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 16 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3146, onder 5 tot en met 7.2.
Ook in zoverre slagen de grieven.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 8 juni 2020 in zaak nr. 19/3561;
III.      verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2021
826.