ECLI:NL:RVS:2021:596
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 8 februari 2018 een aanvraag van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een ongegrond verklaard bezwaar door de staatssecretaris, verklaarde de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht tot een nieuw besluit.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat aanvullend onderzoek zoals DNA-onderzoek moest worden aangeboden, omdat de vreemdelingen het rapport van Bureau Documenten niet met succes hadden bestreden en geen concrete aanwijzingen voor twijfel aan dat rapport hadden gegeven.
De Afdeling stelde vast dat de staatssecretaris terecht het verzoek had afgewezen op grond van vals bevonden documenten en dat de identiteit en familierelaties niet aannemelijk waren gemaakt. Verder oordeelde de Afdeling dat de vreemdelingen niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij in bewijsnood verkeerden met betrekking tot het overlijden van de biologische vader en de identiteit van de biologische vader van vreemdeling 2.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.