ECLI:NL:RVS:2021:545
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel bij grensprocedure vreemdeling
De vreemdeling reisde met valse documenten via het Schengengebied en werd bij de grens op Schiphol aangehouden nadat zij niet het vliegtuig naar Istanboel maar naar Londen wilde nemen. Op 27 november 2020 werd haar een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd in het kader van de grensprocedure na haar verzoek om internationale bescherming.
De rechtbank had de maatregel vernietigd omdat zij oordeelde dat de vreemdeling het Schengengebied nog niet had verlaten en daarom niet aan een grenscontrole kon worden onderworpen. De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat het plaatsen van een uitreisstempel op basis van het voornemen tot uitreis rechtmatig was en dat de vreemdeling opnieuw aan een toegangscontrole mocht worden onderworpen toen bleek dat zij het Schengengebied niet daadwerkelijk verliet.
De Raad van State oordeelde dat het Zeelieden-arrest niet van toepassing was op deze situatie en bevestigde dat het voornemen om het Schengengebied te verlaten voldoende is voor het plaatsen van een uitreisstempel. Omdat de vreemdeling het Schengengebied niet daadwerkelijk verliet, mocht zij opnieuw aan een toegangscontrole worden onderworpen en kon de vrijheidsontnemende maatregel terecht worden opgelegd.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel is terecht opgelegd en het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.