ECLI:NL:RVS:2021:355
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering verblijfsvergunning
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 10 oktober 2019 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar door de staatssecretaris, heeft de rechtbank op 2 december 2020 het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris vernietigd. De rechtbank bepaalde dat de staatssecretaris binnen tien weken een nieuw besluit moet nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren totdat het hoger beroep was beslist. De vreemdeling gaf een schriftelijke reactie op dit verzoek.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de uitspraak van de rechtbank niet strekt tot het direct verlenen van de vergunning, waardoor uitvoering geen onherstelbare gevolgen heeft. Ook vergt uitvoering geen onevenredige inspanning van de staatssecretaris. Daarom werd het verzoek afgewezen en werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.