ECLI:NL:RVS:2021:338
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt proceskostenvergoeding na vernietiging deel uitspraak rechtbank over bewaring
De vreemdeling was op 23 december 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de eerste grief van de vreemdeling, gericht op het toekennen van een proceskostenvergoeding vanwege een gebrek in de voorafgaande staandehouding en ophouding, gegrond was. Dit oordeel was gebaseerd op eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2018:1498). De overige grieven leidden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
De Afdeling vernietigde daarom het deel van de uitspraak van de rechtbank waarin de staatssecretaris niet werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling had gemaakt in verband met de behandeling van het beroep. De rest van de uitspraak bleef in stand. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van €1.602,00 aan proceskosten, toe te rekenen aan beroepsmatige rechtsbijstand verleend door een derde.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.602.