ECLI:NL:RVS:2021:2915
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- P.H.A. Knol
- W. den Ouden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing exploitatievergunning passagiersvaart wegens niet-tijdige aanvraag
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees op 5 februari 2019 de aanvraag van een exploitatievergunning voor passagiersvaart af omdat deze niet was ingediend binnen de in de Regeling uitgifteronde 2022 vastgestelde aanvraagperiode van 1 tot 31 maart 2020.
De aanvrager stelde dat de vergunningstop van 13 juni 2017 onrechtmatig was en dat de aanvraag daarom getoetst moest worden aan de toen geldende Verordening op het binnenwater 2010. Ook voerde zij aan dat het college de beslistermijn bewust had laten verlopen om de nieuwe regeling toe te passen en dat de lex silencio positivo van toepassing was, waardoor de vergunning van rechtswege verleend zou moeten worden.
De Afdeling oordeelde dat de vergunningstop redelijk was en dat de Regeling uitgifteronde 2022 terecht werd toegepast. De stelling dat het college de beslistermijn bewust had laten verlopen werd niet gevolgd. De lex silencio positivo is uitgesloten voor deze vergunning vanwege dwingende redenen van algemeen belang zoals veiligheid en milieu. Het hoger beroep tegen de legesaanslag is niet ontvankelijk bij de Afdeling omdat dit onder de bevoegdheid van het gerechtshof valt.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de legesaanslag. Het hoger beroep tegen de afwijzing van de exploitatievergunning werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de exploitatievergunning en verklaart zich onbevoegd inzake het hoger beroep tegen de legesaanslag.