ECLI:NL:RVS:2021:2815
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring woningzoekende wegens onvoldoende verblijf in Amsterdam
Appellante vroeg op 12 maart 2019 een urgentieverklaring aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, omdat zij na de verhuizing van haar moeder dakloos was geworden en bedreigd werd door haar ex-vriend. Het college wees de aanvraag af omdat zij niet onafgebroken twee jaar in Amsterdam was ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) en niet viel onder een urgentiecategorie. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
Appellante voerde aan dat zij op grond van een mededeling van een gemeentemedewerker met ander bewijs mocht aantonen dat zij wel in Amsterdam woonde en dat zij in een acute noodsituatie verkeerde. De Afdeling oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij onafgebroken in Amsterdam woonde en dat de mededeling niet was bewezen. Ook was de situatie niet zodanig schrijnend dat toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd was.
De Afdeling volgde het college en de rechtbank in hun oordeel dat de urgentieverklaring terecht was geweigerd. De hardheidsclausule werd niet toegepast vanwege de schaarste aan sociale huurwoningen en het feit dat de problematiek van appellante niet door toewijzing van een woning zou worden opgelost. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring wegens onvoldoende onafgebroken verblijf in Amsterdam.